Het verhaal van Wil Kruijt

Het verhaal van Wil
Door Roos Muis

Als het hart van een grote familie weet Wil wat het betekent om er voor de mensen om haar heen te zijn. Na een reis door Europa keerde ze terug naar Rotterdam waar haar levensverhaal nog nauwer verweven raakte met dat van anderen. Wie goed kijkt, ziet een patroon van oprechte aandacht en zorgzaamheid. Bij Granny’s Finest geeft Wil haar rijke levens- en handwerkervaring door aan de generatie van nu. Vier kerstfeesten en vele sjaals verder weet ze het zeker: van delen wordt niemand arm.

Wil Kruijt

Bent u in Rotterdam opgegroeid?
Op eerste kerstdag 1921 ben ik in Rotterdam geboren. De eerste veertig jaar van mijn leven heb ik in Delfshaven gewoond. Het was heerlijk om daar op te groeien. We waren met z’n zevenen thuis: drie broers, één zus, mijn ouders en ik, de één na jongste. Mijn kleinere broertje is nu 88 jaar oud, en mijn oudste broer had dit jaar 100 geworden. Leuk hè? We zijn heel zorgeloos opgegroeid. Ik ben wel verschillende keren erg ziek geweest, maar dat valt in het niet bij alle gezelligheid die er was. We mochten alles, we konden alles, zolang je maar geen gekke dingen vroeg. Verder was vrijwel alles mogelijk. Mijn broers konden overal sporten en bijna iedereen van het gezin deed aan muziek. Mijn oudste en jongste broer speelden piano, mijn middelste broer en ik speelden viool. Dat was toch zo gezellig met elkaar. Mijn moeder was ook altijd creatief bezig, maar dan met handwerken.

Heeft u het handwerken van uw moeder meegekregen?
Dat denk ik wel, ja. Mijn moeder was lerares in nuttig en vrij handwerken op school en was altijd bezig. Ik heb haar nooit anders gezien dan met iets in haar handen. Of het nu naaiwerk was zoals matrozenpakken voor mijn broers of breiwerk zoals jurkjes voor mijn zus en mij, ze was altijd aan het handwerken. Daarnaast leerde ik handwerken op de lagere school. Wie klaar was met breien, mocht iets borduren. Daar was ik er één van, want ik zag mijn moeder van jongs af aan al handwerken. Ik heb het handwerken dus niet alleen op school geleerd, maar ook thuis.

Heeft het handwerken vanaf toen altijd een rol in uw leven gespeeld?
Ja, ik heb mijn handwerk overal mee naartoe genomen. Toen ik een jaar of drieëntwintig was ben ik eerst naar Italië en later naar Frankrijk gegaan om daar als chef kokkin in Nederlandse hotels te werken. Toen ik terugkeerde naar Nederland heb ik tijdelijk bij een gezin in het huishouden gewerkt. Daar heb ik zo veel kennissen gekregen dat ik vanaf toen door heel Europa ben gereisd om de zorg voor hun huishoudens op me te nemen. Ik ging van het ene gezin naar het andere. Steeds deed ik de ene deur dicht, kon ik twee dagen tot mezelf komen, en kwam ik door een andere deur weer binnen. Dikwijls kwam ik bij een gezin waar een kind geboren was, en dan kon ik op de rustige momenten of in de avonden even handwerken. Dat rondreizen was eigenlijk heel vreemd, want het was absoluut niet gepland.

Wil

Augustus 1922 – Wil met haar ouders, broers en zus aan het strand. Wil is de kleinste.

Hoe was die tijd in het buitenland voor u?
Het was heerlijk. Je bent in een andere omgeving en je ontmoet andere mensen. Ik heb nergens problemen, overal voel ik me thuis. Als ik in een huishouden werkte, was ik heel intensief met het gezin bezig zodat ik wist wat iedereen aan het doen was. Zo zat ik een keer aan tafel met één van de kinderen van het gezin waar ik toen werkte. Nadat ik haar erop gewezen had dat ze naar balletles moest die middag, zei ze: “Goh tante Wil, jij weet ook alles hè?” Ik begon aan haar uit te leggen, nou alles, misschien wel… “Ben jij soms God?” onderbrak ze me. “Die weet ook alles.” (Lacht) Toen mijn ouders ziek geworden zijn, ben ik terug naar Nederland gegaan. Ik heb daar nog voor hen kunnen zorgen, dus ik ben niet voor niets thuisgekomen. In de tijd dat ik voor mijn moeder zorgde, zaten we om negen uur ’s ochtends al samen te breien.

In uw leven bent u er altijd voor andere mensen geweest. Wat heeft u van hen geleerd?
De mensen die ik heb ontmoet, hebben mij gemaakt tot wie ik nu ben. Ik heb belangstelling voor iedereen. Als ik iemand op straat of in de lift tegenkom, dan zeg ik wat. Dat zorgt niet altijd direct voor contacten, maar toch brengt het een saamhorigheidsgevoel. Op den duur kun je een hele lijst maken van dingen die andere mensen je meegeven. Dat kan van alles zijn, goed en kwaad. Als ik nu iets tegenkom, hoor of zie, dan komt het allemaal weer naar boven. Niet alles hoor, lang niet alles, maar de leuke dingen zeker. Het is belangrijk om aandacht voor de ander te hebben en positief te zijn. Om de boel even te bekijken voordat je iets beoordeelt. Om niet direct te zeggen of het goed of fout is. Mijn hele leven lang heb ik allerlei verschillende mensen ontmoet. Daar heb ik geen moeite mee. En wat leuk dat je nou hier bent.

Wil

1923 – Wil met haar ouders, broers en zus aan het strand. Wil is de kleinste.

Ik vind het ook leuk om hier te zijn!
Ik zag er ook eigenlijk niet tegenop. Ik dacht: er komt iemand en die wil wat van mij weten. Nou, wat je moet weten dat vertel ik je dan. De gezelligheid van het hiernaartoe komen om dingen aan mij te vragen en weer over te brengen, dat vind ik leuk. In mijn familie en in mijn werk heb ik kinderen geboren zien worden, scholen zien doorlopen, zien trouwen en ook weer kinderen zien krijgen. Dat is heel bijzonder. Als ik er nu zo over praat, besef ik dat nog meer dan wanneer ik gewoon door leef. Het is goed om daar even bij stil te staan. Ik ben nooit ontevreden, maar dan besef je weer eens wat je allemaal voor goeds hebt gehad. Ook nu weer met Granny’s Finest. Dat is ook zo leuk. Dinsdagmiddag komen we bij elkaar en zitten we zo twee uurtjes te breien. Soms hoor je alleen het tikken van de breinaalden. De een doet die steek zo, en de ander doet die steek zo. Als je er niet uitkomt, vraag je aan iemand anders hoe die het doet. Zo heb ik ook weer met Jip en Niek kennisgemaakt. Dat zijn vlotte jongens. Geen gezeur, gewoon doen. Zo ben ik zelf eigenlijk ook wel. Positief. Betrokken en zorgzaam. Altijd iets proberen, en als het niet lukt, dan is er wel weer wat anders dat je kunt doen.

Hoe bent u bij Granny’s Finest terecht gekomen?
Toen ik tien jaar geleden naar mijn huidige woning verhuisde, ben ik natuurlijk gewoon met handwerken doorgegaan. Na een aantal jaar dacht ik: ik zou best een breiclubje willen hebben. Iemand vertelde mij dat er hier nog iemand woonde die handwerkte. Dat was mevrouw Gerla en zij was lid van Granny’s Finest. Via haar ben ik met Jip en Niek in contact gekomen. Ik ben met haar meegegaan en ik ben gebleven. Granny’s Finest was toen nog maar net begonnen. Inmiddels heb ik al vier kerstfeesten meegemaakt. In het begin kwamen we doordeweeks bij elkaar op de Karel Doormanstraat (voormalige locatie, red.), en dat was toch zo leuk. Mensen liepen langs tijdens het boodschappen doen, zagen ons breien en liepen even naar binnen voor een praatje. Inmiddels ben ik ook al een paar keer op het nieuwe kantoor in de stad geweest (Delftse Poort, red.). Een poosje geleden ben ik met de bus ernaartoe gegaan om wol te halen. Zo spreek je de mensen daar ook weer eventjes. Het gebouw kun je hier vandaan zien – zie je die hele hoge toren daar? Daar beneden zitten ze. Leuk hè?

Heel leuk! Wat sprak u zo aan in Granny’s Finest?
Wat mij aansprak was het gezellig met elkaar bezig zijn. Gewoon het met elkaar breien en dat er overal voor gezorgd wordt. Daarnaast doe je het ergens voor. Het is namelijk de bedoeling om het handwerken in samenwerking met de jonge ontwerpers te doen. Dat vond ik dan ook weer leuk. Voor mijzelf hoef ik niet zo veel meer, maar dat je toch nog ergens aan kunt bijdragen. En weet je, wat ik in mijn jeugd gehandwerkt heb, dat is nu niet meer in de mode. De jasjes en truitjes die ik breide dragen de kinderen van nu bijvoorbeeld niet meer. Zij groeien op in een heel andere wereld, dus ze dragen nu eenmaal ander spul. Door Granny’s Finest maak je dingen die meer van deze tijd zijn. De modellen van nu kan ik niet vergelijken met die van vroeger. Maar ook al zijn de modellen anders, het handwerken en het ambacht zijn hetzelfde gebleven.

Ik zie nu een tegeltje achter u staan met de tekst ‘Van delen wordt niemand arm.’
Nou, dat is het toch ook. Dat moet ik alle dagen lezen. Het is waar, niemand wordt arm van een stukje delen. Ik had vroeger een oude buurvrouw die zei: “Iedereen kan blijven eten, want een boterham met suiker heb ik altijd.” Dat bedoel ik, daar komt het op neer. Hij past ook wel bij mij vind ik. Ik ben altijd bezig voor anderen, ook bij Granny’s Finest. Daarnaast vind ik met elkaar eten ook zo leuk. Ik zeg altijd: op vakantie en tijdens het diner, dan leer je elkaar het beste kennen. Ik ben 94 jaar, maar ik maak nog voor iedereen maaltijden klaar. Elke dag moet ik even denken aan wie er mee-eet vandaag. Het gaat om de gezelligheid. Al is het nog zo simpel, aardappelen, vlees en groente, je kunt het lekker klaarmaken en een beetje leuk presenteren. Dan is het alleen nog heel belangrijk om met elkaar te praten. Als je aandacht voor iemand hebt, dan krijg je een band. Kook je graag, dan praten we daarover. Ben je aan het handwerken, dan praten we daarover.

Wil

Is samen handwerken, net als samen eten, voor u ook een manier om een band met elkaar te krijgen?
Absoluut. Als je bij een breiclub zoals die van Granny’s Finest bent en je komt ergens niet uit, dan kan een ander je daarmee helpen. Dat heb ik bijvoorbeeld met mevrouw Gerla. Als een bepaald halsje niet lukt, dan kan zij dat voor mij doen. En iets anders doe ik weer voor haar. Dat geeft dan ook weer een band. Ook praten we over de kleuren die we mooi vinden. En iedere keer als we na het weekend weer bij elkaar komen, hebben we allemaal wat te vertellen. Dat is zo leuk. Voor mensen die alleen zijn kunnen de dagen dikwijls erg lang zijn. Als je dan zo even met elkaar zit, dan heb je toch iets om naar uit te kijken. Zeg, de gehaakte trui die je aan hebt, heb je die zelf gemaakt?

Nee, ik heb deze trui niet zelf gemaakt, maar ik heb hem wel speciaal voor vandaag aangedaan.
Hij is wel schattig, hè? Het bovenste gedeelte is overdwars gehaakt, zie ik. Even een leuk verhaaltje tussendoor. Er is hier een papieropslag en maandagmorgen gebeurt het dikwijls dat ik even ga kijken of er niet iets van een boek bij ligt. Pas geleden heb ik er een encyclopedie over handwerken uit gehaald. Zo leuk, daar staan alle mogelijke steken en manieren van afwerken in. Zo’n soort verzamelwerk, dat neemt niemand weg van mij, nóg niet (lacht)! Zo vond ik laatst ook een mooi ingelijst borduurwerk. Dat spreekt mij dan aan, omdat ik weet hoeveel werk het is. De tijd die je er aan besteedt en het materiaal dat je gebruikt zijn veel waard. Daar moet je oog voor hebben.

Zijn er dingen die u nog graag zou willen doen in uw leven?
Eigenlijk niet meer. Ik heb zoveel vakanties in het buitenland gehad, ik heb zoveel gezien en zo eel gedaan. Ik heb bergtochten gemaakt, ik heb in berghutten geslapen, in nachttreinen, in bussen, noem het maar op. Ik heb gelanglauft, ik heb geskied, er komt geen einde aan. En ik kan er alleen maar met een positief gevoel aan terugdenken. Daar ben ik ook zo oud voor geworden. Ik zeg altijd, ik ben 94 jaar, maar ik voel mezelf niet altijd 94. Ik ben altijd bezig. De dag is nooit lang genoeg voor mij. Ik ga nooit voor de volgende dag naar bed, ik wacht altijd tot na twaalven. En ’s ochtends om half acht sta ik op. En als ik dan weer wakker word, denk ik, hè lekker ik ben er nog. Ik kan weer alles. Dat denk ik niet altijd hoor, maar soms denk ik, wat een weelde toch eigenlijk. Laatst vroeg iemand van de familie of ik op zijn trouwfeest wilde komen, en ik antwoordde: dolgraag! Ik ben ’s ochtends vroeg weggegaan en lag ’s avonds laat weer in bed. En een heel feest gehad! De maandag daarna vroeg de dokter aan mij: “Hoe maakt u het?” En ik zei: Dokter, het kan niet beter, ik heb zaterdag wel duizend zoenen gehad!

Wil 6

Wil op reis in Oostenrijk.

Dit interview werd in 2016 afgenomen door Roos Muis en geplaatst in ons 5e Granny's Finest Magazine.
Meer interviews lezen? Klik dan hier!